Brussel wordt een ommuurde stad
Brussel breidde stelselmatig uit: van het Sint-Gorikseiland
werd overgestoken naar de benedenstad (Grote Markt en omgeving) en even later
werd ook de bovenstad bebouwd (Zavelwijk, Koningsplein). Tussen 1047 en 1121
bouwde hertog Lambert-Balderik een slot "supra castrum" (boven de vesting) op
de Coudenberg. Brussel was naar de toenmalige normen een vrij grote en
welvarende stad geworden. Deze stad moest verdedigd kunnen worden tegen de
mogelijke aanvallen van vijanden. Daarom werden in de XIIde eeuw de eerste
vestingswallen opgetrokken. Zij omsloten ook het kasteel op de Coudenberg, waardoor de
rare "bult" verklaard wordt. De hertog van Brabant had immers de benedenstad
verlaten en een nieuw paleis gebouwd op de Coudenberg. Toen de stad ommuurd
werd was er dus een uitstulping nodig om ook het paleis binnen de wallen te
houden en te beschermen.
 De eerste omwalling (XIde
eeuw) (klik op de afbeelding om een groter en leesbaarder plan te
zien)
De wallen waren 4.000 meter lang en ongeveer 10 meter hoog.
Oorspronkelijk waren zij opgetrokken in opgeworpen aarde en afgezet met een
houten omheining. Later werden aarde en hout vervangen door stenen muren van 1
à 2,5 meter dikte. Van de vijftig toenmalige torens zijn er momenteel
nog vier overgebleven: de Villerstoren bij de Cellebroersstraat (de enige
trouwens die in zijn originele staat bewaard bleef), de Zwarte Toren aan het
Sinte-Kathelijneplein, de Plebaantoren in de tuin van de Brusselse dekenij in
de Wildewoudstraat
15 en de Hoektoren aan de Keizerslaan. De toegang tot de stad was mogelijk door
zeven poorten die elk bewaakt en verdedigd werden door één van de
zeven Brusselse geslachten .
In 1356 bewees de eerste omwalling haar ondeugdelijkheid.
Immers, op "quaden woensdag" 17 augustus 1356 veroverde Lodewijk van Male,
graaf van Vlaanderen, de stad Brussel en plantte er de Vlaamse leeuwevlag op de
Grote Markt. Met deze verovering wilde hij zijn aanspraken op de troonopvolging
van het hertogdom Brabant kracht bijzetten. Amper twee maanden later, op 2
oktober 1356, heroverden de Brusselaars hun stad. De legendarische Everard 't
Serclaes voerde de Brusselaars aan en drong de stad binnen via de Etenssteeg,
een sluippoort voor het vee nabij de Warmoespoort.
 Bas-reliëf van Everard 't Serclaes in de Karel
Bulsstraat
En de Brusselaars hadden het begrepen: hun toch al
uitgestrekter geworden stad had een nieuwe verdedigingslinie nodig. Het
volgende jaar reeds, in 1357, togen zij aan de slag en in 1384 was de tweede
omwalling voltooid. Zij was 8 kilometer lang en omsloot een oppervlakte van 450
ha: toen reeds was Brussel groter dan Leuven met zijn 406 ha. De wallen
waren opgetrokken in baksteen en bedekt met natuursteen. Rondom werden diepe
grachten gegraven. De 8 km lange muren telden 74 torens in de vorm van een
halve cirkel. Zij waren onderling verbonden door stevige gekanteelde muren.
Zeven poorten verleenden toegang tot de stad. Zij waren beveiligd door een
eikehouten poort, een valhek en een ophaalbrug en elk werd, zoals bij de eerste
omwalling, bewaakt en verdedigd door één van de
zeven
geslachten. De tweede omwalling bleef intact tot 1781 toen de Oostenrijkse
keizer Jozef II besliste alle poorten af te breken. De Hallepoort bleef evenwel
gespaard omdat zij onontbeerlijk was als gevangenis en in 1886 werd zij door
Hendrik Beyaert volledig gerestaureerd. Deze in Kortrijk geboren architect
slaagde erin haar uitzicht totaal te veranderen, in die mate zelfs dat de
binnenzijde nu naar de buitenkant van de stad gericht is. En omgekeerd ook
natuurlijk. Vanaf 1782 werd ook de rest van de vestingswerken afgebroken.
In 1860 begon men de grachten te dichten en startte de aanleg van de nu nog
bestaande lanen van de Brusselse kleine ring.
 De tweede omwalling (1357) (klik op
de afbeelding om een groter en leesbaarder plan te zien)
Op bovenstaande kaart ziet men in stippellijn de eerste en
in volle lijn de tweede stadsomwalling. Ook de zeven poorten in de beide
ommuringen zijn duidelijk te herkennen. Laten wij even kijken hoe deze poorten
heetten, waar zij gesitueerd waren en waarheen de wegen leidden.
| Eerste
omwalling |
Situering |
2de
omwalling |
Bestemming |
| Sint-Goedelepoort (1) |
Treurenberg |
Leuvensepoort |
Leuven |
| Coudenbergpoort |
Brederodestraat |
Naamsepoort of
Nieuwe Coudenbergpoort |
Namen |
| Steenpoort (2) |
Rollebeekstraat |
Obbrusselpoort of Hallepoort |
Sint-Gillis, Ukkel |
Overmolenpoort of Sint-Jacobspoort |
hoek Koolmarkt en Bijstandstraat |
't Kruysken of Anderlechtsepoort |
Anderlecht, Bergen, Frankrijk |
| Sint-Katelijnepoort |
Vlaamsesteenweg |
Vlaamsepoort |
Aalst, Gent en Brugge |
Zwarte Poort of Lakensepoort |
Bisschopsstraat |
Antwerpsepoort of Lakensepoort |
Laken, Antwerpen |
| Warmoespoort |
Warmoesberg |
Schaarbeeksepoort |
Mechelen, Keulen |
(1) De Sinte-Goedelepoort werd vanaf de XVIde eeuw meer
Treurenberg of Treurenborgh genoemd (= berg of burcht waar getreurd wordt):
vanaf die periode werd zij gebruikt als gevangenis. (2) De Steenpoort werd
sinds haar oprichting gebruikt als gevangenis voor misdadigers en landlopers.
De andere poorten dienden slechts occasioneel als hechtenisplaatsen. (3) De
Hallepoort, ook al een gevangenis, is het enige resterende deel van de tweede
omwalling. Van het oorspronkelijke uitzicht blijft weinig of niets over: de
restauratie door architect Hendrik Beyaert betekende een zo goed als volledige
gedaanteverandering.
Naar: Junius Julien
(1991). Ogen-blikken in Brussel: op verkenning in de Brusselse
vijfhoek. Gepubliceerd met toestemming van de auteur. Deze pagina maakt deel uit van het Brussels OnderwijsPunt - 2002
|