De territoriale groei van Brussel
Brussel-Stad
Bruocsella an de
Brania... Een kleine nederzetting aan de Zenne met oorspronkelijk wellicht twee
centra, het castrum op het Groot Eiland en de woonkern op en rond de Molenberg
die beschutting bood tegen de regelmatige overstromingen van de Zenne. Tussen
deze twee kernen ontstond een bloeiend handelsleven met de Niedermerckt als
centrum.
Omdat het castrum in de benedenstad zijn militaire waarde
verloor, bouwde hertog Lambert-Balderik tussen 1047 en 1121 een
slot "supra castrum" (= boven het
kasteel) op de Coudenberg. Vanaf dat ogenblik werd ook de bovenstad bewoond. In
dezelfde periode kreeg Brussel een stedelijk karakter dat geconcretiseerd werd
in de eerste omwalling, die in
feite ook de eerste echte begrenzing van de stad was. In de XIVe eeuw kende
Brussel een belangrijke uitbreiding. Toen Lodewijk van Male en even later
Everard 't Serclaes aangetoond hadden dat de vestingwallen eigenlijk niet meer
deugden, bouwden de Brusselaars in 1357 de tweede stadsomwallingdie dubbel zo
lang was als de eerste en een oppervlakte van ongeveer 450 ha omsloot. Let op,
de Brusselaars hadden de bijkomende gronden niet zo maar ingepalmd; neen, zij
hadden talrijke terreinen verworven tegen gemiddeld één stuiver
per roede. De tweede stadsomwalling, die grotendeels overeenstemt met de
huidige lanen van de kleine ring, bleef grosso modo de grens van Brussel dat in
1830 juist geteld 415 ha groot was.
Sinds 1925 beslaat Brussel 3.357 ha, een oppervlakte die de
stad vandaag ook nog telt. Dat betekent dat het areaal van onze hoofdstad in
amper 95 jaar ongeveer acht maal groter werd. Op de plattegrond, even verder,
wordt de gebiedsuitbreiding van de stad Brussel overzichtelijk weergegeven.
Velen beweren dat de gebiedsuitbreiding hoofdzakelijk het
werk was van koning Leopold II, die geboren werd in 1835 en regeerde van 1865
tot 1909. Deze data hebben hun belang, omdat inderdaad in die periode de
uitbreiding van Brussel plaatsvond of voorbereid werd: in 1860 reeds sprak
Leopold II de senaat als volgt toe: "Overal rondom ons maken hoofdsteden en
steden een ongelooflijke vooruitgang. Ons rijk en artistiek vaderland mag zich
door de buurlanden niet laten overvleugelen". Op dat ogenblik had Brussel
reeds een deel van de buurgemeente Etterbeek aangehecht, in de eerste plaats om
er een totaal nieuwe aristocratische wijk op te trekken (de Leopoldswijk met
het gelijknamige station) en in de tweede plaats om het vijftigjarige bestaan
van Belgie op Brussels grondgebied te kunnen vieren (de "Cinquantenaire" of
Half-Eeuwfeestpaleizen - nu de musea van het leger, de geschiedenis en de auto
- en de triomfboog van het Jubelpark). Die aanhechting gebeurde in 1853.
Men beweert dat koning Leopold II, die inderdaad een groot
stedebouwer was, wilde dat hij op zijn eigen Brussels grondgebied naar zijn
geliefde Zoniënwoud kon rijden en daartoe de Louizalaan en haar verlengde
annexeerde. Dat deed zijn vader Leopold I in 1864, ook al moest hij hiertoe het
grondgebied van de gemeente Elsene in tweeën splitsen. De koning dacht
- zo zegt men toch - dat een hoofdstad als Brussel ook een heuse zeehaven moest
hebben. Omdat deze evenwel op Laken lag, werd zij, samen met het goederen- en
douanedepot Tour en Taxis, in 1897 van deze gemeente losgemaakt en bij Brussel
gevoegd. In 1910 zou in Brussel een wereldtentoonstelling gehouden worden. En
in Brussel, dat betekende dan ook letterlijk in Brussel. Vermits de meest
geschikte wijk, de Solbosch-wijk namelijk, in Elsene lag, werd zij in 1907 bij
Brussel aangehecht. Tussen haakjes, de wereldtentoonstelling van 1910 is bijna
volledig uitgebrand maar dat heeft natuurlijk niets te maken met de annexatie
van het grondgebied bij Brussel. Even later, in 1913, werd een nieuw
deeltje van 13 ha bij Brussel gevoegd: op die plaats zou het Natuurhistorisch
Museum van België opgetrokken worden. Wat gebeurde. Dit museum bevat
trouwens een zeer interessante verzameling met onder meer geraamten van
iguanodons en brontosaurussen. De grootste gebiedsuitbreiding van Brussel
vond evenwel plaats in 1921. In dat jaar werden gelijktijdig drie gemeenten,
samen 2.255 ha groot, aan Brussel gehecht. Het zijn Laken met het koninklijk
paleis en zijn industrie, Neder-over-Heembeek en Haren die langs het kanaal
geïndustrialiseerd waren, maar voor de rest als groene long voor Brussel
konden gelden. Dit verklaart waarom er veel gesproken wordt over Brussel en
zijn oude deelgemeenten Brussel, Laken, Neder-over-Heembeek en Haren. In
1925 kende Brussel zijn laatste gebiedsuitbreiding door de aanhechting van het
Brugmannziekenhuis.

Van stad naar agglomeratie
De landelijke nederzetting aan de Zenne werd snel een stad,
die zich van de omgeving afsloot door haar omwallingen. De eerste vestingmuur verdween haast spontaan en de
tweede werd tussen 1810 en 1840 afgebroken. Op dat ogenblik bestond er geen
materiële scheiding meer tussen Brussel en de aanpalende gemeenten zodat
het eigenlijke Brussel met zijn voorsteden gemakkelijk kon samengroeien tot een
agglomeratie.
Toch is het eigenaardig - of misschien alleen maar normaal -
dat de vorming van de agglomeratie voorafgegaan werd door een duidelijke
ontvolking van de stad Brussel die in 1910 nog circa 185.000 inwoners telde,
terwijl dat aantal in 1925 gedaald was tot 141.991... De oorzaken van deze
ontvolking waren verschillend: de ongezonde lucht van de Zenne
(pestepidemieën in o.a. 1836, 1866 en 1874), de stijgende prijzen van de
bouwgronden en de hogere huurgelden dreven de mensen het stadscentrum uit. Ook
de octrooigelden verhoogden de kosten van levensonderhoud die, volgens
burgemeester De Brouckère in 1848, in Brussel dertig procent hoger lagen
dan in de randgemeenten. En wanneer de grote industrieën zich dan ook in
de randgemeenten vestigden, werden vele Brusselaars uit de stad weggelokt.
In die periode was Brussel al sterk verfranst en de
uitwijking van Brusselaars naar de randgemeenten had daar een versnelling van
de verfransing tot gevolg. Inmiddels was in Vlaanderen de "Vlaamse
Beweging" tot stand gekomen die ijverde voor een volwaardige behandeling van
het Nederlands: zij zette zich in de eerste plaats in voor taalwetten. Bij de
totstandkoming van de verschillende taalwetten viel Brussel uit de boot: het
werd een "ville mixte" met een eigen "tweetalig" statuut met een specifieke
regeling voor de randgemeenten: indien 30% van de inwoners daar Frans praatten,
moest heel het bestuursapparaat er tweetalig worden en vanaf het ogenblik dat
50% van de bewoners zich Franstalig verklaarden, moest de gemeente van
taalstatuut veranderen en ingelijfd worden bij de Brusselse agglomeratie.
De allerlaatste inlijving bij de agglomeratie gebeurde in 1954 toen
Ganshoren, Sint-Agatha-Berchem en Evere (deze laatste gemeente nochtans met
slechts 48,8% Franssprekenden) in de agglomeratie opgenomen werden.
Sindsdien is de territoriale beperking van de Brusselse agglomeratie tot de
19 gemeenten die er nu toe behoren, een belangrijke eis van de Vlaamse
Beweging. Door de bijzondere wet op de Brusselse Instellingen (12.01.1989)
wordt deze eis in werkelijkheid omgezet. Hieronder krijgen wij een concreet
overzicht van de Brusselse agglomeratie en de 19 gemeenten die er deel van
uitmaken.
DE BRUSSELSE
AGGLOMERATIE

1.
Anderlecht 2. Brussel
stad 3. Elsene 4. Etterbeek 5.
Evere 6. Ganshoren 7.
Jette |
8.
Koekelberg 9. Oudergem 10. Schaarbeek 11.
St.-Agatha-Berchem 12.
St.-Gillis 13.
St.-Jans-Molenbeek 14.
St.-Joost-ten-Node |
15.
St.-Lambrechts-Woluwe 16.
St.-Pieters-Woluwe 17.
Ukkel 18. Vorst 19. Watermaal-Bosvoorde |
Naar: Junius Julien
(1991). Ogen-blikken in Brussel: op verkenning in de Brusselse
vijfhoek. Gepubliceerd met toestemming van de auteur. Deze pagina maakt deel uit van het Brussels OnderwijsPunt - 2002
|