Toponymie: enkele
plaatsnaamverklaringen
Op de Grote Markt spreken de
meeste namen voor zichzelf . De Boterstraat, de Vlees- en
Broodstraat, de Haringstraat, de
Hoedenmakersstraat en verder op de wandeling de
Beenhouwersstraat geven onmiddellijk weer wat in deze straten te koop
werd aangeboden. Toch loont het de moeite te vermelden dat de middeleeuwse
stedelingen verplicht waren hun goederen op straat te verkopen omdat het in hun
huizen te donker was om de koopwaar te beoordelen. Ook de
Grasmarkt en later de Houtmarkt vertellen ons alles
over hun vroegere functie. Problematischer wordt het natuurlijk wanneer
de Guldenhoofdstraat opduikt, aan
de rechtervleugel van het stadhuis. De meest voor de hand liggende
naamverklaring, die dan ook algemeen aanvaard wordt, is dat de straat genoemd
werd naar de herberg "'t Gulden Hooft" die er gevestigd was. Toch beweren
sommigen, die dan wel sterk in legenden geloven, dat de naam te danken is aan
duivelse gebeurtenissen. Er gebeurde, zo vertelt men, iets verschrikkelijks met
de rechtervleugel van het stadhuis: hoewel hij op vaste grond gebouwd was,
zakte hij plotseling weg. De architect liet palen in de grond heien en ondernam
een nieuwe poging om de bouw te voltooien. Maar voor de tweede keer zakte het
gebouw weg, nu in een put. De architect liet karrevrachten zand en keien
aanvoeren om de put te dempen, maar hoe meer men aanbracht hoe dieper de put
werd. Ten einde raad zag de architect geen andere oplossing meer dan zijn ziel
te verkopen aan de duivel. Vanaf dat ogenblik ging het werk met reuzenschreden
vooruit. Zeer vlug kon de mei gestoken worden. Net op dat ogenblik stierf de
architect en toen ook ontdekte men zijn verschikkelijk geheim. In allerijl werd
de aartsbisschop geroepen om het gebouw te zegenen. Maar onder een vreselijk
gedruis verdween het hele gebouw opnieuw in een put. Aangespoord door de
bisschop en omhangen met schapulieren waagden de arbeiders zich schoorvoetend
in de diepte, waar zij een groot bronzen hoofd vonden dat verguld was. Voor hen
was het een echte afbeelding van Satan. Zij brachten het "gulden hoofd" boven
op de torenspits en plaatsten het over de kop van de draak, die door
Sint-Michiel doorboord wordt. Zo verloor ook Satan het pleit tegen Sint-Michiel
en kreeg de straat zijn huidige naam. En wie dit niet gelooft...
Met de Karel
Bulsstraat liggen de zaken veel eenvoudiger. Deze straat werd genoemd
naar de laatste Nederlandstalige burgemeester die Brussel kende. Het is
duidelijk dat niet zijn Vlaamse afkomst bepalend was voor het feit dat een
straat naar hem genoemd werd. Karel Buls, die burgemeester was van
17.12.1881 tot 16.12.1899 (op deze datum nam hij ontslag) en een gedenkplaat
heeft in de naar hem genoemde straat, was een markante figuur die in Brussel
echt geschiedenis geschreven heeft. Deze volksmens leerde zijn volk lezen en
schrijven: hij bracht het lager onderwijs op een aanvaardbaar peil en voerde de
transmutatieklassen in die, tegen zijn verwachtingen in, geboycot werden en tot
verfransing leidden. Hij was een vriend van mens en dier en zorgde er dan ook
voor dat in parken en op pleinen zitbanken geplaatst werden. Hij was
cultuurminnend en onderkende de waarde van het culturele patrimonium: aan zijn
restauratieopdracht is het te danken dat wij de Grote Markt nog in al haar
glorie kunnen bewonderen. Reeds tijdens zijn leven was hij geliefd bij zijn
Brusselaars. Hij heeft een standbeeld op de Grasmarkt.
In het verlengde van de Heuvelstraat ligt de Bergstraat. Op
het eerste gezicht zou men spontaan de link leggen tussen deze twee straten:
hoog en hoger. Toch wordt dit niet algemeen aanvaard. De
Heuvelstraat zou kunnen genoemd zijn naar het huis Den Heuvel,
het gewezen gildehuis van de huizenbouwers, dat momenteel deel uitmaakt van het
"Huis van de Hertogen van Brabant". En de Bergstraat, die in
feite een zijstraat is van de Magdalenasteenweg en het stadscentrum verbindt
met de "Molenbergh" waarop de Sint-Michielskathedraal gebouwd is, dankt haar
naam waarschijnlijk aan de familie Van den Berghe, die er een groot eigendom
bezat. Het is opvallend dat de Bergstraat aan slechts één zijde
huizen heeft. De overkant werd in 1957 volledig gesloopt toen de bloeiende
Putterijwijk kaalgeslagen werd om de Noord-Zuidverbinding tot stand te brengen.
Tussen de Heuvelstraat en de
Grasmarkt bevindt zich een belangrijk overdekt winkelcentrum, de
Agoragalerij die in 1965 gebouwd werd. Deze naam is afkomstig van
het Griekse woord agora, dat bij ons markt betekent en door de Romeinen "forum"
werd genoemd. Een bekende uitdrukking is "het publieke forum betreden". De
Agoragalerij vervult zelf een markt- en winkelfunctie en verwijst ook naar de
onmiddellijke nabijheid van de Grote Markt.
De
Magdalenasteenweg kreeg pas in de XVIIIde eeuw zijn heiligennaam
bijgevoegd. Voordien en wel vijfhonderd jaar lang heette hij gewoon "Steenweg".
De Franstaligen maakten er dan maar de "rue de la Chaussée" van... Hij
was de verbindingsweg tussen het centrum van Brussel en het kasteel op de
Coudenberg. Niet te verwonderen dus dat hij de eerste geplaveide straat, de
eerste weg in steen was en dus gewoon "Steenweg" gedoopt werd.
Ook Cantersteen is
een oude naam die afgeleid is van het steen (=de woning in steen) dat de cantor
(voorzanger en zangleider) van de Sint-Michielskathedraal er bezat.
Nu wij het toch over stenen hebben,
de namen van de Ravensteinstraat en -galerij (deze is er veel
later gekomen dan de straat) werden gegeven naar het Ravenstein dat aan de
straat gelegen is. Het is het laatste huis uit de Bourgondische periode in
Brussel en is eigenlijk maar een restant van het Hof van Arenberg.
De Coudenberg was een
van de hoogste heuvels boven de Zennevallei. Het is dus niet verwonderlijk dat
de Brabantse hertogen op deze hoogte een vesting lieten bouwen die later
verbouwd werd tot een koninklijk hof. De naam Hofberg wijst dan ook
duidelijk op de helling naar het Hof op de Coudenberg.
Zowel de Sint-Jansstraat als het
Sint-Jansplein danken hun naam aan het Sint-Janshospitaal dat de
Gasthuiszusters er in 1204 bouwden om er de zieken, die hun voedsel niet meer
konden gaan bedelen in de stad, te verzorgen. Reeds in 1780 waren bepaalde
gedeelten van het hospitaal ingestort. In 1846 werd het volledig gesloopt nadat
de zusters een nieuw hospitaal gebouwd hadden aan de Broekstraat. Het plein
heette vroeger de Sint-Janspoel: er was immers een vijver waar de dieren
gedrenkt werden en water geput werd om branden te bestrijden.
Het Oud Koornhuis
werd reeds vermeld op het einde van de 13de eeuw: toen reeds werden granen in
het groot verkocht. Deze bloeiende handelsactiviteit verleende ook haar naam
aan de Koornbeurs.
De Stoofstraat is
een van de bekendste straten van Brussel en hier staat dan ook, op de hoek met
de Eikstraat, de oudste en bekendste burger van Brussel. Een "stoof" is een
middeleeuwse term die vergeleken kan worden met de huidige sauna. Als openbare
wasplaats was het een oord van ontspanning en verderf: men dronk er veel, men
gokte er zwaar en men liet er veel zweet en ... geld in de handen van
deskundige vrouwen. Of deze "stoven" toen aantrekkingskracht hadden? Dat zal
wel, want in de 14de eeuw waren er wel drie in de Stoofstraat.
De
Cellebroersstraat is genoemd naar een Cellebroersklooster dat
hier vroeger stond. Deze broeders waren ooit de officiële
begrafenisondernemers die twee gulden rekenden om een pestlijk te begraven.
Met de Heilige Geeststraat komen wij in de
Brusselse folklore terecht. Er was eens een oude man die, toen hij stierf, maar
één familielid en erfgenaam had, een kleinzoon. Omdat deze
kleinzoon toneelspeler was, een toen bijna oneerbaar beroep, had de grootvader
ervoor gezorgd dat hij tijdens zijn leven al zijn geld verbruikt had. Wanneer
dan de kleinzoon-toneelspeler zijn erfenis ging ophalen, vond hij in zijn
grootvaders woning enkel wat oude meubels, wat versleten klederen en een zeer
eigenaardige broek. Zij was rood-bruin en smal. Diep ontgoocheld over het
weinige en voor hem nog waardeloze dat hij erfde, gooide de toneelspeler alles
weg behalve de zonderlinge broek die hij dezelfde avond nog gebruikte tijdens
een optreden. Misbruikte, moet de overleden grootvader gedacht hebben: wie
haalde het immers in zijn hoofd om de broek van een eerbaar persoon publiek ten
tonele te voeren? 's Nachts verscheen de geest van de grootvader aan de
toneelspeler die te bed lag en vreselijk schrok. Zwijgend staarde de geest hem
aan en even later kwam de broek tot leven. Zij stond op, maakte enkele
danspassen, schopte de meubelen omver en wierp zich toen op de toneelspeler: de
ene pijp na de andere beukte op de jongeman in die een rammeling van jewelste
kreeg. Hevig ontdaan en daverend van schrik ontvluchtte de man de kamer en
klopte aan bij de pastoor van de Kapellekerk die op de hoogte was van
geestenbezwering. Samen keerden zij biddend naar de kamer terug waar zij alles
in orde terugvonden: de meubelen stonden gewoon op hun plaats, de broek lag
levenloos op de vloer. Hoewel de pastoor hem voorhield dat hij enkel gedroomd
had, durfde de geschrokken toneelspeler de broek niet meer in zijn bezit
houden. Ook haar verkopen of wegschenken waagde hij niet, omdat hij vreesde dat
de geest van zijn grootvader de broek zou terugsturen om hem opnieuw af te
ranselen. Er bleef hem dus maar één oplossing: hij verbrandde de
broek. En ook al is de geest van de grootvader sindsdien nooit meer gezien of
gehoord, toch is de straat naar aanleiding van deze ene verschijning naar de
geest van de grootvader genoemd. Veel prozaïscher en reëler is
natuurlijk de verklaring dat de straat haar naam te danken heeft aan het eraan
gelegen "Geesthuys" zoals het huis van de Heilige Geest van de Kapellekerk in
de volksmond genoemd werd. Het Geesthuys lag "tegenover de choor van
Onze-Lieve-Vrouwe-Ter-Capellen" en werd gebruikt voor de opvang van blinden,
arme zieken en andere behoeftigen van de Akeleystraete.
Uit de vorige zin blijkt dat de
Kapellekerk eigenlijk de "kerk van Onze-Lieve-Vrouw-ter-Kapelle"
heet. Eigenaardige naam, die kerk bij de kapel... En toch gemakkelijk te
verklaren. Het eerste godsdienstig gebouw buiten de eerste stadsomwalling was
de Onze-Lieve-Vrouwkapel. Zij werd reeds in 1134 opgetrokken in een toen nog
onbewoond gebied dat later bevolkt werd door wevers, groenteboeren en
leerlooiers die wegens hun opstandig gedrag uit Brussel verbannen waren. Vrij
vlug was de kapel te klein en werd zij, zo rond 1200, vergroot tot de
O.-L.-Vrouw-Ter-Kapellekerk.
De vrij sterk hellende
Rollebeekstraat volgt de kronkelloop van de sinds lang overdekte
Rollebeek. Zij ontsprong aan de Kleine Zavel en rolde via de Zavelpoel naar de
Zenne. Hoewel de beek reeds tijdens de middeleeuwen overwelfd werd, volgt de
straat nu nog haar kronkelige loop.
De Miniemenstraat
dankt haar naam aan de broeders Miniemen van Anderlecht, die zich hier in 1621
kwamen vestigen. Hun klooster werd zeer rijk maar de Franse bezetters namen het
in beslag om er een munitiedepot van te maken.
De Marollen is
één van de meest volkse buurten van Brussel. Deze wijk ligt
grosso modo van de Kapellekerk via het Justitiepaleis langs de kleine ring tot
de Noord-Zuidverbinding en terug naar de Kapellekerk. In de 18de eeuw vestigden
de zusters Maricollen, een congregatie ter ere van O.-L.-Vrouw, zich in deze
buurt om er de armen te verzorgen. Hun naam werd verbasterd tot Marollen.
De Zavel dankt zijn naam
aan de zandwinning die er plaatsvond. Het zanderige plein werd door de zusters
van het Sint-Janshospitaal gebruikt als begraafplaats voor hun overleden
zieken. Het deed - en hier verwijzen wij naar de Ommegang - ook dienst als oefenterrein voor de in 1213
opgerichte gilde van de kruisboogschutters.
De
Ruisbroekstraat is genoemd naar het gelijknamige moeras waar de
Smaalbeek ontsprong. "Broek" is de oude naam voor moeras en het "ruis(en)"
verwijst naar de overvloedige plantengroei die ruiste in de wind. De straat
volgt nog steeds de loop van de Smaalbeek.
De
Regentschapsstraat werd eigenlijk vrij recent (1827) aangelegd en
draagt in feite een verkeerde naam. In die tijd werd Brussel immers bestuurd
door een soort gemeenteraad die "regentie" heette. Deze raad verleende zijn
naam aan de straat die dus Regentiestraat had moeten heten. Waarschijnlijk
zorgde de latere eentaligheid van Brussel voor de naamsverwisseling. De rue de
la Régence werd nadien ten onrechte vertaald als Regentschapsstraat.
Het Paleizenplein
draagt zijn naam-in-het-meervoud terecht. Oorspronkelijk stonden er immers twee
paleizen die door koning Leopold II samengevoegd werden: hij verbond ze met
elkaar door een colonnade. In de omgeving van het Koninklijk Paleis bevinden
zich nog verschillende andere paleizen: aan de kant van de Wetstraat ligt het
Paleis der Natie (waar Kamer, Senaat, Vlaamse Raad en sinds korte tijd ook de
Brusselse Hoofdstedelijke Raad zetelen) en aan de kant van de Hertogsstraat het
Paleis der Academiën. Het is niet verwonderlijk dat de belangrijkste
culturele tempel die in Brussel verrees aan de overzijde van het park, langs de
Koningsstraat, de naam Paleis voor Schone Kunsten kreeg.
De Baron
Hortastraat ligt wellicht op de ideale plaats. Haar naam verwijst
immers naar Victor Horta, één van de belangrijkste architecten
uit de art nouveau-periode. Hij bouwde onder meer het Paleis voor Schone
Kunsten dat aan deze straat-met-trappen gelegen is.
Via de
Parochiaansstraat wandelde vroeger de prochiaen d.i. de pastoor
of parochiepriester van Sinte-Goedele, naar de kerk. De Parochiaan verwijst dus
niet naar de leden van de parochie, namelijk de parochianen, maar wel naar de
priester. Dat verklaart ook waarom het enkelvoud in de naam behouden blijft,
terwijl de Franstaligen de meervoudsvorm gebruiken.
De huizenloze
Markiesstraat wordt genoemd naar generaal Markies de Spinola, die
één van de belangrijkste edellieden was aan het hof van Albrecht
en Isabella en die in 1630 de slag van Oostende won tegen de Verenigde
Provincies. Aan deze straat is het Markiescomplex gebouwd dat een belangrijk
deel van de administratie van de Vlaamse Gemeenschap huisvest.
De Wilde
Woudstraat is een toppunt van vertaalkunst. In deze straat werd ooit
Wouter Van Der Noot, bijgenaamd "de wilde", vermoord. De straat werd naar hem
dan ook de Wilde Woutstraat genoemd. De fransdolle Brusselaars - in 1854 waren
alle straatnaamborden in onze hoofdstad eentalig Frans - vertaalden deze naam
tot rue du Bois (woud, bos) Sauvage, wat dan in het Nederlands Wilde Woudstraat
werd. In de tuin van het huis 14 en 15, waar de deken van de kathedraal
woont, bevindt zich de plebaantoren, één van de weinige
overblijfselen van de eerste
stadsomwalling. De plebaan had de dagelijkse leiding van het kapittel van
Sint-Michiel.
Sommigen menen dat de naam
Stormstraat verwijst naar de herovering van Brussel door Everard
't Serclaes. Op "quaden woensdag" (17 augustus 1356) had Lodewijk van Male,
graaf van Vlaanderen, de Vlaamse leeuwevlag geplant op het stadhuis van het
door hem veroverde Brussel. Amper twee maanden later verdreven de Brusselaars
de Vlamingen uit hun stad. Met een zestigtal getrouwen was Everard 't Serclaes
de stad binnengedrongen via een wankel deel van de eerste stadsomwalling, door
het Etensgat, nu ongeveer de hoek van de de Berlaimont- en de Stormstraat.
Hoewel deze gebeurtenissen stormachtig waren, is de straat er niet naar
genoemd, maar wel naar de familie Storm die er haar woning had. Wat weer eens
bewijst dat vertalen-zonder-kennis een moeilijke aangelegenheid is: de
Stormstraat werd immers de "rue de l'Assaut".
De Arenbergstraat
dankt haar naam aan de heren van Arenberg, die er een groot paleis lieten
bouwen voor kardinaal van de Marck, een familielid van hen. Zij is
één van de oudste wegen van de stad en heette oorspronkelijk
Huidenstraat.
De
Sint-Hubertusgalerij vervangt de vroegere Sint-Huybrechtstraat,
die een vuile en slecht befaamde buurt was. Zij vormt een rechtstreekse en
droge verbinding tussen de Grote Markt en de Warmoesberg, waar rond 1800 een
nieuwe adellijke wijk ontstaan was. Tussen het opstellen van het plan door
architect Cluysenaar en de aanvang van de bouwwerkzaamheden verliepen negen
jaar. Er waren niet alleen de administratieve beslommeringen maar ook de
onteigeningsperikelen. Zo verkoos Jan Pameel, een arme kapper, zich met een
scheermes de keel over te snijden boven het verlaten van zijn onteigende
woning. Ook andere eigenaars gingen niet goedschiks weg. Na 18 maanden durende
bouwwerkzaamheden was Brussel in 1847 een architectonisch meesterwerk rijker en
beschikte de stad over de eerste overdekte winkelstraat in Europa. Zij is 213
meter lang en heeft in het midden een knik om de eentonigheid te breken. Het
toen revolutionaire gebruik van ijzer en glas maakte en maakt het de
Brusselaars mogelijk in alle weer en wind gezellig en in volle klaarte te
winkelen. De Sint-Hubertusgalerij, die in 1965 het predikaat "Koninklijk"
kreeg, is de verzamelnaam van de Koninginnegalerij (tussen de Grasmarkt en de
Beenhouwersstraat), de Koningsgalerij (tussen de Beenhouwers- en
Arenbergstraat) en de kleine Prinsengalerij die de Koningsgalerij verbindt met
de Predikherenstraat. In het nummer 23 werd de Brusselse praline geboren: Jean
Neuhaus maakte er voor het eerst, in 1912, blokjes chocolade die hij vulde met
likeuren en verschillende soorten crème. Zijn dochter Louisette begon de
pralines te verpakken in langwerpige doosjes (i.p.v. in papieren hoorntjes) en
bracht aldus de Brusselse "ballotin" op de markt.
De
Schuddeveldgang gaf toegang tot een weide waar het vee kon grazen
tussen de Beenhouwersstraat en de Huidenmarkt. De naam wijst daar trouwens op:
des kudden veld gang, de gang waarlangs de kudde naar de velden trok. Op het
einde van de gang bevindt zich het wereldberoemde poppentheater van Toone, het
enige overblijvende van de 90 die Brussel er in de 19e eeuw rijk was.
Naar: Junius Julien
(1991). Ogen-blikken in Brussel: op verkenning in de Brusselse
vijfhoek. Gepubliceerd met toestemming van de auteur. Deze pagina maakt deel uit van het Brussels OnderwijsPunt - 2002
|