Klimmer Rudy Van Snick "Op 7.000 meter begint zone van de dood" Rudy Van Snick is een klimmer. En hij is niet zomaar een klimmer. Rudy was de eerste Belg op de top van de Everest. Dat is de hoogste berg op aarde: 8.850 meter hoog. Niet veel Belgen kunnen het verhaal van de Everest vertellen. In 1992 haalde ook Ingrid Baeyens de top. Maar zij wil er niet meer over praten. Het is te moeilijk voor haar. Zij verloor haar man in de bergen. Twee jaar geleden stond ook Pascal Debrouwer op de Everest. Hij kan er niet meer over vertellen. Hij kwam om tijdens de afdaling. Rudy Van Snick bereikte in 1990 de top van de Everest. Hij had het al 2 keer eerder geprobeerd. Hij is niet veel thuis. Altijd is hij op weg om ergens te gaan klimmen. Wablieft ging bij hem op bezoek tijdens een kort verlof in België. Wablieft: Op 10 mei 1990 bereikte jij de top van de Everest. Hoelang deed je erover? Rudy Van Snick: Die top bereiken doe je niet zomaar. Je moet je goed voorbereiden. Je zit eigenlijk al enkele weken op de berg. Dat is nodig om je aan te passen aan de hoogte. De klim begint in het basiskamp van de Everest. Dat ligt op 5.400 meter hoogte. Maar vandaar klim je niet even naar de top en weer terug. Je moet eerst 4 andere kampen klaarmaken. Die kampen leg je aan tussen het basiskamp en de top. Dat duurt 3 tot 4 weken. Daarvoor moet je elke dag klimmen. Je moet tussen de kampen heen en weer. Je draagt al je spullen naar boven: kleren en klimgerief, een tent, zuurstof in flessen. Dat is hard werken. Ondertussen kan je ook wennen aan de grote hoogte. Je lichaam moet zich aanpassen. Dat is erg belangrijk om te overleven. Op 8.000 meter hoogte is er in de lucht nog geen derde van de zuurstof beneden. Je lichaam krijgt het op de Everest zwaar te verduren. Geleidelijk ga je steeds in een hoger kamp overnachten. Slapen kan je er eigenlijk niet. Kamp 4 is het hoogste kamp. Dat maak je op 8.000 meter. Vandaar klim je naar de top. Ja. Ook dat gaat niet zomaar. Je moet eerst wachten op heel rustig weer. Maar je kan niet blijven wachten. De volgende dag moet je bijna zeker kunnen doorklimmen naar de top. Want op die hoogte geraak je met de minuut meer uitgeput. Boven 7.000 meter ligt immers 'de zone van de dood'. Je takelt er af zonder iets te doen. Naar de top klimmen en terug moet daarom snel en juist gebeuren. Wat gebeurt er in kamp 4? Je bent er nerveus. Je weet: 'nu moet het gebeuren'. Je hebt niet veel kans. Lukt het niet? Dan moet je terug naar beneden. Je kan dan enkele dagen rusten in het basis-kamp. En misschien kan je nog een keer naar de top proberen te klimmen. Maar dan is het echt voorbij. Meer kan het lichaam van een mens niet aan. Waar moet je in kamp 4 vooral op letten? Het belangrijkste in kamp 4 zijn het weer en hoe je jezelf voelt. Het weer op de Everest kan heel slecht zijn en verandert ook snel. Dan ben je triest want je ziet je kans voorbijgaan. Maar je kan ook hoogte-ziekte krijgen. Die tast je hersenen aan. Eten wordt dan heel moeilijk. Het kan plots opkomen. Dan moet je snel beslissen. Wat ga ik doen? Naar boven of naar beneden? Je kan daar niet blijven zitten. Want dat betekent je dood. Wat gebeurt er in kamp 4 als alles goed gaat? In kamp 4 doe je niets anders dan sneeuw smelten. Je moet immers veel drinken. Je moet genoeg vocht in je lichaam houden. Rond middernacht vertrek je naar de top. Dat is nodig om de top te kunnen bereiken en nog veilig terug te keren. Daar ben je zo'n 20 uur aan een stuk mee bezig. Je lichaam moet dat aankunnen. De meeste ongevallen gebeuren boven de 8.000 meter. Het is gewoon het zwaarste stuk. Je eerste 2 pogingen mislukten? Ja. De eerste keer hadden we een ongeval op 8.700 meter hoogte. De tweede keer was het weer te slecht. We bleven toen steken in kamp 4. De derde keer voelde ik dat het zou lukken... En dan zag je de top dichterbij komen... We waren tegen 10 of 11 uur voor de middag dichtbij de top. Dan mochten we niet meer twijfelen. We gingen door... En dan kwamen we op die top. Ik was natuurlijk heel blij. Het was gelukt, eindelijk! Was dat het mooiste moment uit je leven? Het was zeker een groot en ongelooflijk moment. Ik weet nog goed wat er door me heen ging. Ik had geluk. Het uitzicht was goed. Er hingen geen wolken. Ik zag 200 kilometer ver over de bergen van de Himalaya. Maar of dat nu het mooiste moment uit mijn leven was? Dat weet ik niet. Je hebt er veel last van het gebrek aan zuurstof. Je hersenen werken niet normaal. Daardoor kan je niet meer gewoon nadenken. Je staat er wat versuft bij. Je bent ook te moe. Achteraf besef je heel goed hoe groot die kracht van de natuur is. Een mens kan niet lang daar op de top blijven. Ik was er 20 minuten. En elke minuut is er eigenlijk één te veel. Dat is spijtig. Je kan er niet lang van genieten. Je moet immers terug. Dat zorgt ook voor spanning. Ga ik nog zonder problemen beneden geraken? Het afdalen van de berg blijft het gevaarlijkste. Dan gebeuren de meeste ongevallen. Hoe komt dat? Afdalen is gewoon moeilijker dan klimmen. Je bent moe. En je raakt steeds meer uitgeput. Je wil zo snel mogelijk naar een veilige plaats. In de namiddag wordt het weer op de Everest vaak slechter. Wolken pakken samen. Het begint te sneeuwen. Je ziet bijna niets meer. En dan verdwaal je. Je sporen worden uitgewist door de sneeuw. Dan kan je je vergissen. Op de Everest kan dat je dood betekenen. (Wablieft - 2001)